Column: Een volle aflaat verdienen

De afgelopen maanden ben ik terdege voorzichtig geweest met het naar buiten gaan. Het coronavirus waait nog steeds rond.

Aanleiding voor mij om meer in mijn coronavrije kamertje door te brengen dan in de buitenlucht. Ik ga om de dag in alle vroegte wel even op pad zodat ik geen anderen hoef te ontmoeten. Ook volg ik redelijk de opdracht van mijn ouderenadviseur op, die zegt: “in beweging blijven Kaatje.”

Had ik maar beter naar haar geluisterd want nu zit ik met gedroogde pruimen, noten en de poeders voorgeschreven door mijn huisarts, die mij aan het poepen moeten brengen. Al enkele dagen en het lukt mij maar niet. Lastig heel lastig.

Poepen is zo oud als de mensheid. Vroeger (1946) in de Carmelstraat, er was geen rioolaansluiting, moesten we poepen in de ton. In het voorjaar werd de ton geleegd. De poep werd uit de ton geschept en naar het land in de Eekte gebracht, naar het volkstuintje van opa. Daar werd het uitgestort meestal in het voorjaar en dan was het land bedekt met drollen en krantenpapier. Oude kranten die in handzame rechthoeken waren gescheurd en met een touwtje opgehangen in het kleine kamertje.

Ik zat te overdenken, had mijn mobieltje mee genomen en wachtte geduldig op de eruptie. De telefoon ging en een goede vriendin belde. Ze vond dat mijn column van de week ervoor wel heel veel over de dood ging. Maar ze kon de opmerking over de biecht en de absolutie wel waarderen. Al pratende, ik zat nog geduldig te wachten op mijn troon, trok het rijke Roomse leven voorbij. “Kaatje weet je nog dat je na de biecht even buiten de kerk ging en vervolgens terugging, dat was voor de aflaat die je dan verdiend had.” We waren uitgepraat, ik bleef achter met in mijn endeldarm een lichte aandrang. En warempel mijn sluitspier opende zich, en zie een berg poep, stront, kak die ik in de WC-pot kon bewonderen. Het voelde niet als een aflaat, maar dit was een volle aflaat en welverdiend.

Kaatjeknip november 2020

Meer berichten